Alle instellingen voor moeder- en kindzorg dienen er zorg voor te dragen:
1. dat zij een beleid ten aanzien van borstvoeding op papier hebben, dat standaard bekend gemaakt wordt aan alle betrokken medewerkers.
2. dat alle betrokken medewerkers de nodige opleiding vaardigheden aanleren, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dat beleid.
3. dat alle zwangere vrouwen voorgelicht worden over de voordelen en de praktijk van borstvoeding geven.
4. dat de baby onmiddelijk na de geboorte huid op huid met de moeder wordt gelegd en dit gedurende minimum een uur, dat de moeders aangemoedigd worden om de hongersignalen van hun baby te herkennen, en hulp aangeboden worden indien nodig
5. dat aan vrouwen uitgelegd wordt hoe ze hun baby aan moeten leggen en hoe zij de melkproductie in stand kunnen houden, zelfs als de baby van de moeder gescheiden moet worden.
6. dat pasgeborenen geen andere voeding dan borstvoeding krijgen, noch extra vocht, tenzij op medische indicatie.
7. dat moeder en kind dag en nacht bij elkaar op een kamer mogen blijven (‘rooming-in’).
8. dat borstvoeding op verzoek wordt nagestreefd.
9. dat aan pasgeborenen die borstvoeding krijgen geen speen of fopspeen gegeven wordt.
10. dat er borstvoedingsbegeleidingsgroepen (moedergroepen) gevormd kunnen worden en dat vrouwen bij het beëindigen van de zorg naar deze groepen verwezen worden.
Verklaring van WHO/UNICEF (1989, Nederlandse uitgave 1991, herziene druk 1997) :
“Bescherming, bevordering en ondersteuning van borstvoeding: de bijzondere rol van de gezondheidszorg”
Bijgewerkt met de BFHI-richtlijnen voor de integrale gezondheidszorg, UNICEF/WHO januari 2006